Diabetes mellitus zelfregulatie
Zelfregulatie voor mensen met diabetes die:
Drie keer per dag (ultra)kortwerkende insuline spuiten voor de maaltijd en één keer per dag langwerkende insuline spuiten.
Deze folder geeft algemene richtlijnen. Het is belangrijk dat u leert van uw eigen ervaringen en weet welke factoren bij u de regulatie beïnvloeden. Uw diabetesverpleegkundige/ diëtiste/ internist/ verpleegkundig specialist kan u hierbij individueel advies geven. Zelfregulatie is een continu leerproces.
Zelfregulatie betekent dat u zelf:
de insulinedosis (bij voorkeur alleen de kortwerkende insuline) en/of
de hoeveelheid koolhydraten in de voeding en/of
de mate van fysieke inspanning op elkaar afstemt om in balans te blijven.
Bijvoorbeeld als u ziek bent, gaat sporten of een etentje heeft. Ook kan het nodig zijn de dosis aan te passen als u meerdere dagen of langere tijd een trend ziet van hoge of juist lage glucosewaarden.
Voor zelfregulatie is het belangrijk om kennis te hebben van de insulinewerking en van zelfcontrole. Zelfcontrole is een belangrijk hulpmiddel want: 'meten is weten!'. Zo kunt u bij bijzondere situaties zoals ziekte, stress, emoties, inspanning, sport, etentjes en alcohol de juiste maatregelen nemen.
Zelfcontrole kan door middel van vingerprik met een glucosemeter en/of door middel van de Flash Glucosemeter (FGM) de zogenaamde freestyle libre (FSL).
De diabetesverpleegkundige bespreekt de materialen en de begeleiding bij zelfregulatie/ zelfmanagement.
De diëtist geeft een voedingsadvies op maat en bespreekt hoe u verschillende aanpassingen in de voeding kunt nemen en daarbij eventueel de ultra-kortwerkende insuline kunt aanpassen. Zij leert u koolhydraten tellen, eventueel met behulp van hulpmiddelen (o.a. app).
Uw arts, verpleegkundig specialist en/of diabetesverpleegkundige bespreekt de streefwaarden voor de bloedglucose, HbA1c en bij gebruik van de flash glucosemeter de tijd binnen doelbereik (hier verder niet benoemd). Hieronder worden algemene richtlijnen voor de bloedglucose en HbA1c vermeld.
Wat zijn de streefwaarden voor bloedglucose?
Algemeen
Nuchter en voor maaltijden: 4 - 7 mmol/l
Na de maaltijden: 5 - 9 mmol/l
Voor het slapen gaan: tussen de 6 - 8 mmol/l
In de nacht: hoger dan 4 mmol/l
HbA1c waarde
Twee tot vier keer per jaar wordt het HbA1c-gehalte in het bloed bepaald. Dit kan op de polikliniek met een vingerprik (voorafgaand aan uw afspraak) of op het laboratorium (op aanvraag). HbA1c is de afkorting voor geglyceerd hemoglobine. Dit ontstaat doordat glucose zich in het bloed bindt aan hemoglobine in de rode bloedcellen. Stijgt de concentratie glucoses in het bloed? Dan wordt er meer HbA1c gevormd. Rode bloedcellen hebben een levensloop van zes tot acht weken. De hoeveelheid HbA1c geeft een beeld van de gemiddelde bloedglucosewaarde over de afgelopen zes tot acht weken. De streefwaarde wordt individueel en in overleg met u bepaald.
Algemeen:
Bij mensen ouder dan 70 jaar: HbA1c 54 - 58/64 mmol/mol
Bij mensen jonger dan 70 jaar: HbA1c ≤ 53 mmol/mol
Bij vrouwen met zwangerschapswens of die zwanger zijn: HbA1c ≤ 48 mmol/mol
De werking van insuline
Ultra-kortwerkende insuline: Novorapid, Insuline aspart, Fiasp, Apidra, Humalog, Insuline lispro, Lyumjev.
Fiasp en Lyumjev werken sneller en moeten 0-2 minuten voor het begin van de maaltijd toegediend worden, met de mogelijkheid tot toediening maximaal 20 minuten na het begin van de maaltijd.
Voor de andere insulines geldt:
De werking van deze insuline begint ongeveer 10 minuten na het inspuiten. Het maximale effect ligt ongeveer 1-3 uur na de injectie. Over het algemeen werkt deze insuline 3 à 5 uur.
De ultra kortwerkende insuline spuit u als maaltijd insuline direct vóór het eten, tijdens of direct na het eten.
Ook kan deze insuline gebruikt worden als correctie insuline bij hoge bloedglucoses.
Langwerkende insuline: Glargine (Lantus® / Abasaglar® / Toujeo® ) of Levemir®.
Deze insuline wordt één keer per dag gebruikt.
Deze verbeterde langwerkende insulines worden traag opgenomen. Ze hebben een vrijwel ‘piekloos’ werkingsprofiel. Het tijdstip van de dag waarop Glargine of Levemir® insuline wordt toegediend is flexibel, mits dit tijdstip iedere dag hetzelfde is.
Glargine werkt binnen één uur en werkt ongeveer 24 uur. Levemir® werkt binnen 3-4 uur na de injectie en werkt ongeveer 24 uur.
Ultralangwerkende insuline: Degludec (Tresiba®)
Begint na ongeveer twee uur te werken. Het heeft een werkingsduur tot 42 uur (er moet minimaal acht uur tussen de doses zitten). Het advies is om een vast tijdstip te nemen.
Langwerkende insuline: Insulatard® of Humuline NPH®.
Deze insuline wordt één keer per dag gebruikt, bij uitzondering twee keer.
De werking van deze insuline begint ongeveer anderhalf uur na het inspuiten. Het maximale effect ligt ongeveer 4 à 12 uur na de injectie. De totale werkingsduur is onder andere afhankelijk van de dosis: hoe meer gespoten, des te langer het effect. Over het algemeen werkt deze insuline 16 à 24 uur. De opname is onregelmatiger dan die van Lantus ®of Levemir®.
De langwerkende insuline die u voor de nacht spuit, werkt die nacht en een groot deel van de volgende dag als ‘basisinsuline’ door.
Plaatsen om te spuiten
De (ultra)kortwerkende insuline wordt geadviseerd in de buik te spuiten.
De langwerkende insuline kan in het bovenbeen, maar ook eventueel in de buik. De diabetesverpleegkundige zal dit met u bespreken.
Het is belangrijk om niet steeds op dezelfde plaats te injecteren, zodat het onderliggende weefsel niet verhard raakt. Hierdoor kan de opname van de insuline niet altijd gelijk zijn.
