Normale menstruatiecyclus
In het kort
Bij vrouwen in de vruchtbare levensfase groeien er elke maand in de eierstok een aantal eiblaasjes waarin eicellen rijpen. Normaal gesproken komt slechts één eicel tot volledige uitrijping (in het dominante eiblaasje), waarna het eiblaasje openbarst en de eicel vrijkomt. De eileider vangt vervolgens de eicel op en transporteert deze richting de baarmoeder. Onderweg kan de eicel bevrucht worden indien er vruchtbare zaadcellen in de buurt zijn. Als de eicel niet bevrucht wordt, gaat hij verloren. Het slijmvlies van de baarmoeder laat dan los. Dat is de maandelijkse bloeding die we kennen als de menstruatie.
Wat is een normale cyclus?
De eerste dag van helderrood bloedverlies noemen we dag één van die cyclus. De periode van de eerste dag van de menstruatie tot de eerste dag van de volgende menstruatie wordt een cyclus genoemd. Gemiddeld duurt zo’n cyclus 28 dagen.
Een normale cyclus is niet korter dan 21 dagen en niet langer dan 42 dagen. De lengte van de cyclus is afhankelijk van de duur van de rijping van het eiblaasje. De tijd na de eisprong tot de menstruatie is bijna altijd 14 dagen. De bloeding (menstruatie) zelf duurt meestal niet korter dan één dag en niet langer dan 7 dagen. De variatie van vrouw tot vrouw is dus groot.
De hoeveelheid bloedverlies is wisselend. Gemiddeld is het ongeveer 50 ml. Te weinig bloedverlies kan geen kwaad: u bent niet minder vruchtbaar als u weinig of kort menstrueert.
Te veel bloedverlies houdt in:
bloedverlies langer dan zeven dagen
bloedverlies met stolsels (bloedproppen)
zoveel bloedverlies dat u uw gewone bezigheden niet kunt uitvoeren
Wat gebeurt er in een cyclus?
De cyclus heeft verschillende fasen:
rijping van de eiblaas (de folliculaire fase) en het baarmoederslijmvlies
eisprong (de ovulatie)
uitrijpingsfase (luteale fase) van het baarmoederslijmvlies
menstruatie
De hele cyclus wordt gestuurd door hormonen.
De rol van hormonen
Hormonen zijn chemische stoffen die in de cellen van een klier of ander orgaan worden gevormd. Via het bloed worden ze door het lichaam vervoerd. Hormonen beïnvloeden de werking van de cellen in allerlei organen. Deze invloed kan zeer verschillend zijn, afhankelijk van de functie van het orgaan waar die cellen deel van uitmaken.
De hormonen die in de menstruele cyclus een rol spelen zijn LHRH, FSH, LH, oestrogenen en progesteron.
LHRH staat voor Luteïniserend Hormoon-‘releasing’ Hormoon en wordt in de hypothalamus in de hersenen gemaakt. LHRH zorgt ervoor dat de hypofyse wordt aangestuurd.
FSH is het Follikel Stimulerend Hormoon. Dat is het hormoon dat de eicellen aanzet tot rijping. Het wordt gemaakt in de hypofyse, een klein orgaantje vlak onder de hersenen.
LH is het Luteïniserend Hormoon. Het zorgt ervoor dat de wand van de eiblaas verandert en openbarst. Ook dit hormoon wordt in de hypofyse gemaakt.
Oestrogeen zorgt voor opbouw van het slijmvlies van de baarmoeder en voor meer en heldere slijmproductie door de baarmoedermond. De zaadcellen kunnen deze dan makkelijker passeren.
Progesteron stimuleert de innesteling van een bevruchte eicel. Dit hormoon wordt aangemaakt door de rest van de eiblaas die achterblijft na de eisprong. Deze rest wordt ook wel geel lichaam genoemd: corpus luteum.
