Diep veneuze trombose: behandeling

Diep veneuze trombose: behandeling

Inleiding

Behandelmogelijkheden bij diep veneuze trombose

U heeft  diep veneuze trombose gehad. Daarom gebruikt u 3 tot 6 maanden medicijnen die ervoor zorgen dat uw bloed minder goed stolt. Met uw zorgverlener gaat u bekijken of u daarna moet doorgaan met deze medicijnen of niet.

Wat is diep veneuze trombose?

Wat is diep veneuze trombose?

Behandelmogelijkheden

DOAC

DOAC (of NOAC) staat voor Directwerkende Orale Anti Coagulantia, zoals Dabigatran, Edoxaban, Rivaroxaban en Apixaban. U neemt 1 of 2 keer per dag een pil in. U hoeft niet voor controle naar de trombosedienst.

Risico's en bijwerkingen

  • Van de 100 mensen krijgen minder dan 3 mensen (3%) in één jaar opnieuw een trombose of longembolie.

  • 1 van de 100 mensen (1%) krijgt in één jaar een erge bloeding. Bij een erge bloeding moet u naar het ziekenhuis.

  • U kunt bijwerkingen krijgen van DOAC. Kijk in de bijsluiter of vraag uw arts om uitleg.

  • Andere medicijnen kunnen invloed hebben op DOAC. Vertel uw arts altijd welke medicijnen u gebruikt.

VKA

Als u geen DOAC mag gebruiken (bijvoorbeeld door problemen met uw nieren), krijgt u een VKA-remmer. VKA betekent Vitamine K Antagonist. Voorbeelden zijn Acenocoumarol en Fenprocoumon. U neemt 1 of meer pillen per dag. Uw bloed wordt minstens 1 keer per maand gecontroleerd. U doet dit zelf of het gebeurt via de trombosedienst. Een medewerker van de trombosedienst vertelt u hoeveel pillen u moet nemen.

Risico's en bijwerkingen

  • Van de 100 mensen krijgen minder dan 3 mensen (3%) in één jaar opnieuw een trombose of longembolie.

  • 1 tot 2 van de 100 mensen (1-2%) krijgen in één jaar een ernstige bloeding, bijvoorbeeld in de maag, darmen of hersenen. Dit gebeurt vaker bij mensen die een VKA gebruiken dan bij mensen die een DOAC gebruiken.

  • U kunt bijwerkingen krijgen van een VKA. Kijk in de bijsluiter of vraag uw arts om uitleg.

  • Andere medicijnen kunnen invloed hebben op de VKA. Vertel uw arts of de trombosedienst altijd welke medicijnen u gebruikt.

Stoppen met medicijnen

Is de oorzaak van de trombose duidelijk én kunt u er iets aan doen? Dan mag u meestal na 3 tot 6 maanden stoppen met antistollingsmedicijnen. Is de oorzaak niet duidelijk of kunt u er niets aan doen? Dan moet u de medicijnen langer gebruiken. Soms is dat voor de rest van uw leven. 

 Wat is het risico als u stopt met de medicijnen? 

  • Als u stopt, krijgen 5 tot 10 van de 100 mensen (5–10%) binnen 1 jaar weer een trombose of longembolie. 

  • Binnen 5 jaar gebeurt dit bij ongeveer 30 van de 100 mensen (30%). 

U bespreekt samen met uw arts wat voor u het beste is.