U begint het onderzoek met een plastest op een speciale stoel met meetapparatuur. Probeer tijdens het plassen te voorkomen dat er ook ontlasting meekomt (zie folder uroflowmetrie).
Na de plastest wordt er een éénmalige katheter via de plasbuis in de blaas gebracht. Hiermee wordt de blaas geleegd. De urine die na het plassen is achtergebleven wordt opgemeten.
Daarna worden er twee (dunne) onderzoekskatheters ingebracht. Eén via de plasbuis in de blaas, de andere katheter via de anus in de endeldarm bij mannen en in de vagina bij vrouwen. Het inbrengen van de katheters is niet pijnlijk, het kan wel een vervelend gevoel geven.
Naast de anus worden twee elektrodes bevestigd. Deze elektrodes meten de activiteit van de bekkenbodemspieren.
Via de eerste katheter wordt de blaas gevuld met NaCl 0.9% (een zoutoplossing/infuusvloeistof). Deze katheter meet ook de druk in de blaas en plasbuis (en plasbuis bij de vrouwen). De tweede katheter die in de anus of de vagina zit meet de druk in de buikholte.
Tijdens het onderzoek wordt u een paar keer gevraagd om stevig te hoesten. Ook wordt er een vasalva test gedaan (waarbij u wordt gevraagd op uw hand te blazen waardoor de buik opbolt).
Wanneer u tijdens het onderzoek urine verliest wordt dit automatisch genoteerd (bij meer dan enkele druppels). Heeft u het gevoel dat u urine verliest? Dan kunt u dit aangeven bij de verpleegkundige.
Tijdens het vullen van de blaas zijn er 3 momenten die u moet aangeven:
Het moment dat u voelt dat er iets gebeurd in de blaas.
Het moment dat u normale aandrang heeft waarbij u de plas nog kan ophouden, maar ook naar het toilet zou kunnen.
Het moment dat u het echt niet meer kunt ophouden (u mag nog niet direct gaan plassen).
U mag pas gaan plassen als de verpleegkundige dit heeft aangegeven!
Het kan zijn dat u sterke aandrang heeft maar niet mag plassen van de verpleegkundige. Dit komt omdat er zichtbaar verhoogde druk in de blaas is, wat vanzelf weer afneemt.
Het onderzoek wordt afgesloten met een flowmetrie (plastest). U mag als de verpleegkundige dit aangeeft gaan plassen. De katheters zijn dan nog aanwezig en zullen tijdens het plassen nog metingen verrichten. De katheters zijn dun genoeg om er langs te kunnen plassen.
Na het plassen worden de katheters en alle plakkers verwijderd.
Er wordt, als het nodig is, nog éénmalig gekatheteriseerd om de blaas helemaal leeg te maken.
Als u een verblijfskatheter heeft dan wordt er een nieuwe katheter teruggeplaatst.
De verpleegkundige maakt een verslag van het onderzoek en dit komt in uw dossier. Voor de uitslag van het onderzoek heeft u een afspraak staan met uw arts.